See All This: mag het iets mínder afwisselend?

See all this

Vol verwachting kocht ik het eerste nummer van kwartaalblad See All This. Na de ondergang van Kunstbeeld en Mister Motley (die laatste is nog wel actief op internet) bleef er namelijk niet veel interessants meer op papier over. Drie bladen slechts: Metropolis M, Museumtijdschrift en Kunstschrift.

See All This ziet er veelbelovend uit. De vormgeving is prachtig. Wel een beetje ‘arty’. En bij nadere beschouwing laat de opmaak in de details nog wel een steekje vallen. Moeilijk leesbare bijschriften bijvoorbeeld, en daar staan er nogal veel van in. Maar op het eerste gezicht heeft ontwerper Hans Gremmen goed werk geleverd.

See All This is op mooi en prettig leesbaar mat papier gedrukt, de foto’s zijn voorzien van een persvernis, heel elegant en subtiel allemaal. Mooi ook die meegebonden insert met een essay over toekomstvoorspellingen van een sciencefiction-schrijver op een afwijkend formaat en ander papier.

Geschiedenis als inspiratie
Het blad geeft de indruk dat er erg veel tijd gestopt is in het vinden van rubrieken, invalshoeken en andere redactionele vormen om de inhoud in te gieten. Daarbij keek de redactie ook naar concepten uit de recente geschiedenis van de fotografie. De portretten die Robin de Puy maakte van de bij het blad betrokken museumdirecteuren (ook al zo’n mooi katern met zwart-wit foto’s op ongestreken papier) is bijvoorbeeld geïnspireerd op The Family, een fotoserie uit 1976 van fotograaf Richard Avadon. Interessant! En Ed van der Elsken levert inspiratie voor de fotorubriek Bent u iemand?

Prettig zo’n afwisselende aanpak. Nadeel van de veelheid aan redactionele vormen is alleen dat er in dat hele dikke blad (136 pagina’s) maar één interview staat (met kunstenaar Roni Horn). Vooruit, ook nog een fictief interview met Michel Foucault over het werk van Jeroen Bosch. En een wat bloedeloos vraaggesprek met een Britse kunsthistoricus over de expositie Lichte Zeden in het Parijs van de 19de eeuw.

Beschouwende verhalen
Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag en één van de 17 participerende musea, laat dagblad Trouw optekenen: “De sector heeft geen behoefte aan een tijdschrift met recensies van tentoonstellingen. Die brengen de dagbladen ook. We hopen dat dit blad iets toevoegt met meer beschouwende verhalen over kunst.”

Beschouwende verhalen. Betekent dat zoveel als dat artikelen geschreven zijn vanachter een bureau met een open verbinding met het internet en een stapel tentoonstellingscatalogi naast het toetsenbord? Er lijkt in ieder geval weinig rondgebeld of op stap gegaan. Zoals voor de vrouwelijke kunstenaars die pas laat in hun leven succes kennen: een mooie selectie van werk, dat zeker, maar het verhaal eromheen is een etalage van wat de schrijver erover heeft gevonden. En dat maakt zo’n artikel toch wat hermetisch en statisch.

Over grenzen
Als remedie tegen het hermetische wat kunstbladen inderdaad meestal typeert, wil hoofdredacteur en mede-initiatiefnemer Nicole Ex “natuur, literatuur en mode vaak bij de kunst betrekken; we gaan over grenzen.” En dat is waar, er worden zijpaden bewandeld in dit blad: zwart als kleur in de kleding op kunstwerken uit de 17de eeuw mét een overzicht van zwarte mode-items van het nieuwe seizoen. En schrijver Gustaaf Peek onderzoekt de fascinatie van Kees van Dongen voor prostituees.

Ook de vijf pagina’s over Edmund de Waal (keramist en schrijver) waarin foto’s van zijn atelier en keramisch werk worden getoond gelardeerd met citaten uit zijn laatste roman De Witte Weg zijn een welkome afwisseling, maar met hem had ik ook graag een interview willen gelezen bijvoorbeeld. Wel heel slim: aansluitend een overzicht van exposities over en collecties met keramiek en porselein.

Tegenwicht
Het artikel dat Hans den Hartog Jager schreef over Theaster Gates is interessant: een portret van deze activistische kunstenaar waarin je een goed beeld krijgt van het werk en de maatschappelijke rol van deze kunstenaar, maar ook van het fenomeen sociale kunst. Informatief en goed geschreven. Ik kijk uit naar de volgende artikelen in deze serie.

Maar hoe interessant ook, ik mis gewoon nog één of twee interviews. Als tegenwicht voor de best wel zware kost. Iets wat zowel diep graaft áls lekker weg leest. Het zijn toch dit soort tijdschriften die toegang hebben tot kunstenaars? Met hun ingevoerde redacteuren en de kennis en relaties van de musea moet het mogelijk zijn om een beschouwing te verlevendigen met informatie uit eerste hand, van de kunstenaars zelf. Of om een interview te houden en dat te verdiepen door middel van reflectie op het werk en de plaats daarvan in de kunstgeschiedenis.

Ambiteus
Samen met de website wil dit magazine hét nieuwe kunstplatform zijn. Zo gevuld als het magazine is, zo mager is echter nog de inhoud op de website. Natuurlijk, dat komt allemaal nog wel, maar ik ben vooral benieuwd naar een visie op hoe blad en site elkaar voeden: rubrieken die een eigen, aan het medium gerelateerde vorm hebben.

Het videootje van ‘the making of’ van de fotoserie met de directeuren is leuk (en voor-de-hand-liggend), maar ook wel erg kort en oppervlakkig gehouden. De uitleg over de historische serie van Avadon heb ik in de Volkskrant gelezen, had daar prima bij gekund.

De index achterin het blad (Track the Treasure) is een leuk idee, maar past eigenlijk beter op de website als doorzoekbare visuele database. Maar dat is pas interessant als die database een beetje gevuld is. Na een aantal edities dus.

En voor actualiteit moet je natuurlijk ook gewoon op een website zijn (wie durft er nu eens die agenda los te laten?).

Betere balans
Er komt enorm veel kijken bij het opzetten van een nieuw platform, en zeker in het begin zal het ondoenlijk zijn om elk detail evenveel aandacht te geven. En je wilt als redactie natuurlijk zo veel mogelijk laten zien van wat er allemaal kan in het blad. Maar iets mínder afwisseling (ook historisch verantwoord: “Less is more” van architect Ludwig Mies van der Rohe) en wat meer toegankelijk geschreven interviews. Dat zou ik persoonlijk een betere balans vinden. Zeker als je een groter publiek wil bereiken.

De verwachtingen zijn namelijk hooggespannen met deze ambitieuze opzet en dito oplage (20.000 (!) waarvan 5.000 in het Engels). Het roept de vraag op hoe lang je een dergelijke oplage volhoudt. Want ook al zorgen die 17 musea voor distributie via hun museumshops, mensen moeten het blijven kopen én lezen. Nou hebben de initiatiefnemers zichzelf drie jaar de tijd gegeven om er iets van te maken, 12 nummers dus. Ik ga het volgen.

See All This: mag het iets mínder afwisselend?